Zijn al die buitenlandse studenten wel zo gunstig voor Nederland?

CalvinSchukkink 15-9-26
Beeld: fontys.nl

Artikel beluisteren

Buitenlandse studenten leveren Nederland geld op. Dat is althans de teneur in de berichtgeving rondom een nieuw rapport van het Centraal Planbureau. Media nemen de conclusie gretig over. Maar wie het rapport zelf induikt, ontdekt een veel minder florissant beeld dan de mediaberichten doen vermoeden. De meeste buitenlandse studenten leveren weinig tot niets op, en het rapport geeft een incompleet beeld van de kosten van de studenten.

In augustus verscheen het rapport Economische effecten van inkomende internationale studenten van het Centraal Planbureau (CPB). Het CPB brengt in het rapport alle internationale studentenstromen in het hoger onderwijs (HBO en WO) tussen 2007 en 2024 in beeld en maakt een schatting van de gemiddelde kosten en baten van een internationale student voor de overheidsfinanciën. De conclusie: ‘Over hun levensloop leveren zij gemiddeld een positieve bijdrage aan de overheidsfinanciën.’ De positieve bijdrage aan de schatkist is het hoogst onder studenten van buiten de Europese Economische Ruimte (EER) en in het wetenschappelijk onderwijs (WO).

Wat betreft de kosten en baten van de buitenlandse studenten maakt het CPB onderscheid tussen de EER-studenten en niet-EER-studenten, en kosten en baten tijdens de studie en na de studie.

Kosten en baten tijdens studie

Voor HBO-studenten uit EER-landen (zoals Duitsland en België) geldt dat zij gedurende hun studie ongeveer 32 duizend euro kosten. Dat komt omdat het Rijk ongeveer 10 duizend euro per student per studiejaar betaalt aan de universiteiten/hogescholen, de student ongeveer 2 duizend euro per jaar aan studiefinanciering krijgt, maar slechts duizend euro per jaar aan indirecte belastingen (belasting over boodschappen, kleding, sport) opbrengt. De WO-student uit een EER-land kost gemiddeld 20 duizend euro gedurende de studie.

De HBO-student uit een niet-EER-land (zoals China, de VS of India) levert ongeveer 3,6 duizend euro op tijdens de studie, en de WO-student uit een niet-EER land zo’n 2,5 duizend euro. Studenten uit niet-EER-landen leveren wél een nettobijdrage aan de schatkist, omdat de overheid voor hen geen rijksbijdrage betaalt en zij ook niet in aanmerking komen voor studiefinanciering.

Het CPB erkent dat de kosten en baten van buitenlandse studenten van meer factoren afhankelijk zijn, zoals de blijfkansen van de buitenlandse studenten na de studie, de arbeidsparticipatie na de uitstroom uit het onderwijs en de inkomsten uit werk. In het rapport schrijft het CPB dat een HBO-student uit een EER-land over zijn levensloop (!) 13 duizend euro netto bijdraagt aan de Nederlandse schatkist, een WO-student uit een EER-land 82,5 duizend; een HBO-student uit een niet-EER-land 117 duizend, en een WO-student uit een niet-EER-land 243 duizend euro.

Cadeautje voor D66-minister Letschert

Het rapport is een leuk cadeautje voor D66-minister Rianne Letschert (OCW). Zij heeft zelf om dit onderzoek gevraagd, en pleitte in haar vorige functie als ‘rector of diversity’ aan de Universiteit Maastricht (UM) al voor een ‘diversere’ en ‘inclusievere’ universiteit. Tijdens haar tijd als rector magnificus aan de UM was ruim 61 procent van de studenten buitenlands. Letschert was er trots op dat haar universiteit de meest internationale universiteit van Nederland is.

Munitie voor verdere internationalisering

Het is goed voorstelbaar dat minister Letschert, met het CPB-rapport in de hand, internationalisering in het hoger onderwijs zal blijven toejuichen met een beroep op het argument dat ‘de buitenlandse student’ geld oplevert. In de media wordt dat argument namelijk al gebruikt door NU.nl, NOS en de Volkskrant.

Zo gunstig als het rapport en de media de internationalisering van het onderwijs laten lijken, is ze echter niet. Niet alleen geeft het CPB-rapport een incompleet beeld van de kosten en baten van buitenlandse studenten, maar het gaat ook niet of nauwelijks in op de keerzijden ervan.

Meeste buitenlandse studenten dragen nauwelijks bij

Een belangrijk punt is dat de meeste internationale studenten het land verlaten voordat ze een bijdrage leveren aan de schatkist. Eerder bleek dat buitenlandse studenten over het algemeen meer kosten dan opleveren tijdens de studie. Dat is alleen voor het groepje niet-EER-studenten anders. Buitenlandse studenten beginnen over het algemeen pas geld op te leveren wanneer zij uitstromen en een baan krijgen, en langdurig in Nederland blijven.

Het CPB berekent de kosten en baten van internationale studenten ‘over de levensloop’. Maar de realiteit is dat de meeste buitenlandse studenten Nederland verlaten binnen vijf jaar na de uitstroom uit het hoger onderwijs. Vijf jaar na uitstroom woont ongeveer een op de vijf EER-studenten nog in Nederland en twee op de vijf niet-EER-studenten. En juist studenten uit de EER vormen het grootste deel van alle buitenlandse studenten in Nederland: Van de ruim 130 duizend internationale studenten die hier in 2024 verbleven, kwamen er 95 duizend uit de EER. Bijna 80 duizend van deze studenten verlaten het land hoogstwaarschijnlijk vóór 2030 en dragen dus niet substantieel bij.

Daarnaast is het zo dat de arbeidsparticipatie onder Nederlandse WO- en HBO-studenten zowel één jaar als vijf jaar na uitstroom aanzienlijk hoger is dan onder EER- en niet-EER-studenten: van de Nederlandse WO- en HBO-studenten die in 2022 zijn uitgestroomd heeft bijna 90 procent een baan binnen één jaar na uitstroom. Bij buitenlandse studenten varieert dat van 70 tot 75 procent. Vijf jaar na uitstroom hebben Nederlandse uitstromers nog steeds een hogere arbeidsparticipatie dan hun buitenlandse tegenhangers.

Geen aandacht voor keerzijden

Waar het CPB weinig tot geen aandacht aan schenkt, zijn de keerzijden van deze studenten die de staatskas al dan niet spekken. Een voorbeeld is de druk op de kamer- en woningmarkt. In het rapport erkent het CPB in een paragraaf dat een toename van het aantal internationale studenten leidt tot een ‘relatief hogere vraag op een al zeer krappe en weinig flexibele woningmarkt’. Maar nergens in het rapport gaat het CPB in op het actuele kamertekort van 20 duizend studentenkamers en de stijgende huurprijzen als gevolg van de sterk groeiende vraag.

Wat zijn de kosten van het niet kunnen verhuizen naar studentensteden doordat er zoveel druk komt op studentenkamers of -woningen? En wat zijn de kosten van de prijsstijgingen van studentenkamers als gevolg van de toestroom van buitenlandse studenten? Het blijft in het rapport onbesproken.

Kosten verdringing Nederlandse studenten

Evenmin gaat het rapport in op de kosten van de verdringing van Nederlandse studenten door de toestroom van buitenlandse studenten. Het CPB stipt kort aan dat er op ‘korte termijn een risico is op capaciteitsissues, die bijvoorbeeld de inzet van een numerus fixus vereisen’ en dat dit tot een verdringing van Nederlandse studenten ‘kan leiden’. In een eerder stuk voor Wynia’s Week ben ik ingegaan op het feit dat actief wordt geworven voor internationale studenten, omdat buitenlandse studenten en Engelstalige studies een melkkoe zijn voor universiteiten.

Het komt steeds vaker voor dat Nederlandse studenten het moeten afleggen tegen buitenlandse studenten bij toelating tot studies, hetzij omdat buitenlanders zich bij toelatingsexamens voor numerus fixus-studies in grotere aantallen aanmelden, hetzij vanwege de voorkeur van universiteiten voor een diverser studentenbestand.

Wat is het financieel verlies van iedere afgewezen, niet-geworven of anderszins ‘verloren’ Nederlandse student, vanwege de belabberde woningmarkt, numerus fixus-studies, diversiteitsbeleid of de wildgroei van Engelstalige opleidingen? Het CPB heeft het er niet over, maar die kosten zijn er wel degelijk.

CPB-rapport wekt verkeerde indruk

Minister Letschert heeft gevraagd om een onderzoek naar de kosten en baten van inkomende buitenlandse studenten. Ze heeft exact gekregen wat ze wil: een rapport dat de suggestie wekt dat alle buitenlandse studenten een positieve bijdrage leveren aan de overheidsfinanciën. Het rapport gaat echter voorbij aan het feit dat het merendeel van deze studenten nauwelijks iets bijdraagt. Belangrijker is misschien wel dat het CPB-rapport niet ingaat op de keerzijden van het groeiend aantal buitenlandse studenten, zoals de effecten op de woning- en kamermarkt en de verdringing van onze eigen studenten. Hoe dan ook, het frame is inmiddels gezet: buitenlandse studenten zijn ‘goed’ voor Nederland.

Wynia’s Week brengt broodnodige, onafhankelijke berichtgeving: drie keer per week, 156 keer per jaar, met artikelen en columns, video’s en podcasts. Onze donateurs maken dat mogelijk. Doet u (weer) mee? Hartelijk dank!