Excuses aan de Molukse gemeenschap blijven een loos gebaar als niets wordt gedaan om het veroorzaakte leed te herstellen
Artikel beluisteren
Premier Rob Jetten gaat zondag een nationaal monument onthullen en – hoogstwaarschijnlijk – zijn excuses aan de Molukse Nederlanders aanbieden. Zo’n ‘sorry’ is een loos gebaar zolang een ‘nationale agenda’ niet de concrete maatregelen zal bevatten die een teken van volledig eerherstel voor de Molukse gemeenschap zullen zijn.
Op zaterdag 11 juni 1977 hadden wij een atletiekwedstrijd bij Sportclub Reeuwijk. Voor het begin van de wedstrijden hadden we ons omgekleed en stapten we de kantine van het clubgebouw binnen om nog even wat te drinken – ‘we’, dat waren mijn vrienden Rick en Milco en ik. Zij kwamen uit Zoetermeer, ik uit Boskoop, we waren dus lid van andere verenigingen, en zij waren Moluks. In de kantine stond een televisie aan: bijzondere eenheden en mariniers van het Nederlandse leger, geruggesteund door F-16’s, maakten hardhandig een einde aan de treinkaping bij De Punt (Drenthe), de al drie weken durende kaping van de intercity Assen-Groningen door negen gewapende Zuid-Molukkers.
Toen wij gedrieën op de drempel van de kantine stonden, keken de andere aanwezigen op. Even viel er een ongemakkelijke stilte. Toen draaiden alle gezichten weer naar de zwart-wit-tv op het dressoir. Het maken van onderscheid tussen individuen en de gemeenschap waartoe zij behoren was een welbegrepen kunst.
Die kaping van De Punt ging vergezeld van de gijzeling van kinderen op een lagere school in Bovensmilde, en was een reprise van een eerdere kaping, in december 1975, bij Wijster (eveneens in Drenthe), ook door jonge Zuid-Molukkers. Een jaar later, in maart 1978, zouden Zuid-Molukkers mensen gijzelen in het Provinciehuis in Assen. Het geweld van al deze acties (er vielen in totaal zestien doden te betreuren) was de uitbarsting van de frustraties en woede die in een kwart eeuw waren opgebouwd.
Aan hun lot overgelaten
De grootvaders van deze militante Zuid-Molukkers waren in 1951 per boot in Nederland aangekomen, op bevel van de Nederlandse overheid. Na afloop van de ‘politionele acties’ had Nederland in 1949 de Indonesische onafhankelijkheid erkend en besloten de Molukse militairen die gedurende de oorlogsjaren in Indonesië loyaal in het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL) hadden gediend, met hun gezinnen naar Nederland te halen. Dat is dit jaar dus 75 jaar geleden en zondag zal premier Jetten een Nationaal Monument (Ulu Kora, het voorsteven van een staatsieprauw) onthullen aan de Rotterdamse Lloydkade (waar de meeste schepen met de Molukkers aankwamen) en naar verwachting zijn excuses aanbieden.
Het ging in 1951 in totaal om zo’n 12.500 Molukkers, die in twaalf transporten in vier maanden tijd naar Nederland werden gebracht. Zij zouden in eerste instantie ongeveer een half jaar in Nederland verblijven, om daarna terug te keren naar de Zuid-Molukken om daar een eigen republiek te stichten (RMS). De Nederlandse regering beloofde daarbij alle steun.
Maar het liep natuurlijk anders. Ambon was en bleef Indonesisch, meldde het nieuwe postkoloniale bewind in Jakarta, en de inmiddels ontslagen KNIL-militairen, onder erbarmelijke, mensonterende omstandigheden ondergebracht in voormalige concentratiekampen in onder meer Vught en Westerbork, werden aan hun lot overgelaten. De kampen werden later aparte woonwijken in verschillende Nederlandse plaatsen, maar de problematiek onder de Molukse gemeenschap was groot. Inmiddels zijn er volgens het CBS 71.000 Molukkers in Nederland.
Er kwam een gebaar in de jaren tachtig, toen toenmalig premier Ruud Lubbers een overeenkomst met de Molukse gemeenschap sloot: de eerste generatie Molukkers die in 1951 naar Nederland was gekomen, kreeg een jaarlijkse uitkering van 2.000 gulden, er kwam een banenplan om de hoge werkloosheid onder Molukse jongeren te bestrijden, het Moluks Historisch Museum werd opgericht en oud-militairen kwamen in aanmerking voor een herdenkingspenning. Er werden geen excuses aangeboden – al moet oud-premier Dries van Agt daar achter de schermen wel op aangedrongen hebben.
Een grote Kamermeerderheid, aangevoerd door Don Ceder (ChristenUnie), heeft de Nederlandse regering per motie opgeroepen om een ‘onafhankelijk onderzoek’ naar dit verleden te verrichten. De Kamer wil dat op een ‘gepaste wijze recht kan worden gedaan aan de Molukse gemeenschap’. Op basis van gesprekken met de Molukse gemeenschap en dat onderzoek wil Ceder een ‘nationale agenda’ opstellen. Wat daar in moet komen te staan, is nog onbekend.
Overbodig onderzoek
Dat wetenschappelijk onderzoek is overbodig. Er is niet alleen een Moluks Historisch Museum maar er zijn ook tal van wetenschappelijke publicaties over de dekolonisatie en wat die voor de Molukse gemeenschap heeft betekend. En de conclusie van die 75-jarige geschiedenis kan niet anders zijn dan dat de Nederlandse staat onthutsend deloyaal is geweest tegenover de meest loyale soldaten die het KNIL heeft gekend, de belofte aan de Molukkers van een eigen staat niet waar heeft kunnen maken, en de Molukkers hier in Nederland schandalig heeft behandeld. De Nederlandse staat heeft de Molukkers verraden.
Excuses daarvoor blijven een loos gebaar zonder dat een serieuze poging wordt gedaan om iets van het veroorzaakte leed te herstellen. Het is eigenlijk beschamend hoe vele jaren er moeten verlopen voordat die excuses er komen. Er leven nog maar heel weinig KNIL-militairen, dus de excuses worden gericht aan hun nabestaanden. Sommigen zullen dat alsnog waarderen, anderen zullen er hun schouders over ophalen. En wat de frase ‘op gepaste wijze recht doen’ ook precies gaan inhouden, die ‘nationale agenda’ zal kwalitatief en kwantitatief een teken moeten zijn van volledig eerherstel voor de Molukse gemeenschap.
Wynia’s Week brengt broodnodige, onafhankelijke berichtgeving: drie keer per week, 156 keer per jaar, met artikelen en columns, video’s en podcasts. Onze donateurs maken dat mogelijk. Doet u (weer) mee? Hartelijk dank!





















