Hoe goed bedoeld beleid een nieuwe elite schiep en de kosten deponeerde bij de werkende klasse

HenkCJonkhoff 26-5-26
‘Begin jaren zestig gold de auto als symbool van gedeelde vooruitgang, niet als klimaatprobleem.’ Beeld: Henk C. Jonkhoff

Artikel beluisteren

Door Henk C. Jonkhoff*

In het voorjaar van 1964 liep Kees Dijkstra, 38 jaar, een Ford-dealer in Vlaardingen binnen. Kees werkte bijna twintig jaar als gereedschapsmaker en samen met zijn vrouw Anja had hij jarenlang kleine bedragen apart gezet. Die dag kochten ze een donkerblauwe Ford Taunus.

Dat was geen luxe. Het was het bewijs van iets: dat hard werken en spaarzaamheid ergens toe leidden. Dat de welvaart die Nederland na de oorlog opbouwde, ook bij mensen als Kees terechtkwam en hij met zijn gezin op vakantie kon. In die tijd was dat voor miljoenen arbeiders een reële belofte. Niet voor niets zei de toenmalige PvdA-leider Joop den Uyl in de jaren zestig dat ‘alle mensen recht hebben op een eigen auto voor de deur, óók de arbeiders’. De auto gold toen als symbool van gedeelde vooruitgang, niet als klimaatprobleem of statussymbool van ongelijkheid.

De reguleringseconomie en haar verborgen herverdeling

Maar met de groei van het wagenpark groeide het maatschappelijk draagvlak voor regulering: veiligheidsstandaarden, emissienormen, certificeringsvereisten, consumentenbescherming. Afzonderlijk was veel van die regelgeving verdedigbaar. Minder verkeersdoden en schonere lucht zijn reële maatschappelijke verbeteringen. Maar de cumulatieve economische logica ervan werd zelden eerlijk benoemd.

Tegenwoordig bestaat 20 tot 30 procent van de kostprijs van een nieuwe auto uit compliance-gerelateerde kosten: veiligheids- en emissiesystemen, certificering, administratieve verplichtingen, juridische conformiteit. Die kosten worden breed gedragen door consumenten — maar de inkomens die eruit voortkomen concentreren zich smal bij hoger opgeleiden: juristen, consultants, beleidsmakers, toezichthouders, compliance-specialisten.

De econoom Bruce Yandle beschreef dit mechanisme al in 1983 onder de noemer ‘Bootleggers and Baptists’: moreel gemotiveerde regelgeving en economisch eigenbelang van gevestigde partijen versterken elkaar structureel. De Baptisten leveren de legitimatie; de Bootleggers incasseren de opbrengst. Toegepast op de reguleringseconomie: progressieve beleidsmakers leveren de morele framing; kenniswerkers en beleidsprofessionals incasseren de werkgelegenheid en de status.

Dit is geen complot. Het is een systeem met een ingebouwde zwaartekracht. Meer regelgeving schept meer gespecialiseerde functies, meer uitvoeringsorganisaties, meer adviesbehoefte – en daarmee ook meer mensen die economisch afhankelijk worden van verdere uitbreiding van hetzelfde systeem. De kosten van die complexiteit worden breed gedragen. De baten concentreren zich.

Van arbeiderspartij naar Brahmin Left

Tegelijk veranderde de sociologische basis van links – een proces dat de politicoloog Thomas Piketty in zijn studie Capital and Ideology (2020) beschreef als de opkomst van de Brahmin Left: een hoogopgeleide, cultureel-progressieve elite die de traditionele arbeiderspartijen heeft overgenomen en haar eigen belangen en waarden als universeel presenteert.

De verschuiving is empirisch goed gedocumenteerd. Piketty toont aan hoe kiezers met universitaire opleiding in vrijwel alle westerse landen – van de VS tot Nederland, van het VK tot Zweden – in de loop van de jaren tachtig en negentig massaal naar centrum-linkse partijen zijn gegaan, terwijl de laagst opgeleide kiezers zich er juist van afkeerden. Wat ooit arbeiderspartijen waren, zijn nu diplomapartijen.

Postmaterialistische waarden

Sociologisch ligt de verklaring deels bij de waardeverschuiving die Ronald Inglehart beschreef: naarmate materiële bestaanszekerheid voor hogere inkomens vanzelfsprekender werd, verschoven hun politieke prioriteiten naar postmaterialistische waarden – milieu, internationale samenwerking, identiteitspolitiek, culturele vrijheid. Voor werkenden wiens materiële zekerheid minder vanzelfsprekend is, voelt die agenda als een luxe die zij niet kunnen betalen.

De electorale gevolgen zijn in Nederland manifest. GroenLinks-PvdA en D66 zijn relatief sterk vertegenwoordigd onder hoger opgeleide, stedelijke kiezers en werknemers in de publieke en semipublieke sector. Ondertussen verschoof het traditionele arbeiderselectoraat richting de PVV, de BBB en deels de SP.

Energie-en klimaatbeleid

Nergens is de spanning tussen progressieve intentie en ‘omgekeerd neerslaan’ scherper zichtbaar dan in het energie- en klimaatbeleid. ‘Omgekeerd neerslaan’ betekent dat de kosten van beleid relatief zwaarder drukken op lagere inkomens dan op hogere — hoe lager het inkomen, hoe zwaarder de last. Dat is precies wat hier structureel gebeurt.

Hogere energieprijzen raken lagere inkomens disproportioneel omdat zij een groter aandeel van hun budget besteden aan energie, wonen, voedsel en transport. De CBS-cijfers laten zien dat huishoudens in het laagste inkomenskwintiel 12-15 procent van hun netto besteedbaar inkomen kwijt zijn aan energiekosten; voor het hoogste kwintiel is dat 3-5 procent. Een stijging van de energieprijzen met 80 procent — zoals tussen 2020 en 2023 – is voor hoge inkomens een ongemak. Voor lage inkomens is het een koopkrachtcrisis.

Lastenverdeling is structureel scheef

Nederland telt inmiddels honderdduizenden huishoudens in energiearmoede. Dat zijn huishoudens die moeite hebben energierekeningen te betalen, hun woning onvoldoende kunnen verwarmen en structureel financieel onder druk staan. Juist de groepen die progressief beleid zegt te beschermen, worden er het hardst door geraakt.

Maar het omgekeerde neerslaan stopt niet bij de energierekening. Hogere energieprijzen verhogen ook de productiekosten in logistiek, bouw en voedselproductie. Dat vertaalt zich in hogere prijzen voor boodschappen, huur en transport – basiskosten die een groter deel uitmaken van het budget van lage inkomens. Klimaatbeleid werkt zo door in het gehele prijsniveau, en de lastenverdeling is structureel scheef.

De kosten zijn zeker – de baten niet

Naast de verdelingsvraag – wie betaalt de rekening? – verdient ook de efficiëntievraag een eerlijk antwoord: wat levert het op? Nederland stoot ongeveer 0,35 procent van de mondiale CO2-uitstoot uit. Het KNMI berekende eerder dat de Nederlandse klimaatinspanningen in het kader van het klimaatakkoord leiden tot een reductie van de wereldwijde temperatuurstijging van naar schatting 0,00007 graden — een effect dat niet meetbaar is en binnen een dag tenietgedaan wordt door de groeiende uitstoot van landen als China en India, die onder het Parijse Klimaatakkoord nog jarenlang naar een emissiepiek mogen groeien.

Dit betekent niet dat klimaatverandering geen reëel probleem is of dat internationale samenwerking zinloos is. Het betekent wel dat de verhouding tussen de zekerheid en omvang van de kosten enerzijds — die nu en concreet zijn — en de onzekerheid en beperkte omvang van de Nederlandse bijdrage anderzijds een legitieme beleidsvraag is. Die vraag wordt in het progressieve beleidsdiscours vrijwel nooit serieus gesteld.

De kosten van het Nederlandse klimaatbeleid zijn reëel en hoog: het klimaatfonds van 35 miljard euro, het aanvullende klimaatpakket, de subsidies voor verduurzaming, de reguleringskosten en de hogere energieprijzen als gevolg van de transitie. Die kosten drukken nu, zeker en omgekeerd evenredig. De klimaatbaten zijn onzeker, toekomstig en voor een klein land als Nederland marginaal zonder mondiale coördinatie.

Een politiek die de rekening laat betalen door Kees Dijkstra in Vlaardingen voor een effect dat hij nooit zal merken, verdient een eerlijker verantwoording dan zij doorgaans krijgt.

De rechter als klimaatbestuurder: democratie omzeild

Wat Kees Dijkstra via het stemhokje niet kan tegenhouden, wordt hem via de rechter opgelegd. Dat is de kern van een groeiend fenomeen: klimaatlitigatie door NGO’s als instrument om democratisch vastgesteld beleid te verscherpen of te omzeilen.

In 2019 dwong Urgenda via de rechter af dat Nederland zijn CO2-uitstoot sneller moest terugbrengen dan de gekozen politiek had besloten. In januari 2025 won Greenpeace een stikstofzaak die het kabinet bindt aan scherpere doelen. En op 28 januari 2026 deed de rechtbank Den Haag uitspraak in de klimaatzaak Bonaire: de Nederlandse staat handelt onrechtmatig, moet binnen achttien maanden bindende klimaatdoelen vaststellen en heeft discriminatieverboden geschonden.

Telkens is hetzelfde mechanisme werkzaam: een NGO – gefinancierd door donateurs en fondsen, niet gekozen door kiezers – daagt de staat voor de rechter, die vervolgens beleid oplegt dat het parlement niet heeft vastgesteld.

De NGO’s die deze zaken aanspannen worden bevolkt door dezelfde sociologische klasse die de progressieve partijprogramma’s schrijft: hoger opgeleid, stedelijk, postmaterialistisch. De kosten van de maatregelen die zij via de rechter afdwingen, dragen zij relatief minder dan de groepen die zij zeggen te beschermen. Kees Dijkstra heeft niet gestemd voor scherpere klimaatdoelen. Hij kan er ook niet tegen stemmen. De rekening krijgt hij desondanks gepresenteerd – ditmaal niet via democratisch beleid, maar via een vonnis.

Het Mattheüseffect in het subsidiesysteem

Het subsidiestelsel waarmee de overheid verduurzaming stimuleert – subsidies voor warmtepompen, zonnepanelen, isolatie en elektrische voertuigen – is in theorie universeel toegankelijk. In de praktijk niet. Om van deze subsidies gebruik te maken moet men doorgaans beschikken over een koopwoning, voldoende spaargeld voor de eigen bijdrage en financiële ruimte om investeringen voor te financieren. Huurders — die oververtegenwoordigd zijn onder lagere inkomens — zijn structureel uitgesloten van de meeste verduurzamingssubsidies, terwijl zij via belastingen en energiekosten wel meebetalen aan het systeem dat die subsidies financiert.

Dit is een schoolvoorbeeld van wat sociologen het Mattheüseffect noemen, naar het bijbelvers: aan wie heeft, zal gegeven worden. Hogere inkomens profiteren relatief vaker van publieke subsidiëring van verduurzaming, terwijl de lasten breed worden gesocialiseerd. De gereedschapsmaker in een huurwoning in Vlaardingen financiert zo indirect de warmtepomp en zonnepanelen van de hoger opgeleide huiseigenaar in Amsterdam. Die kan zijn Tesla opladen met gratis eigen stroom. Kees rijdt op peperdure benzine en mag binnenkort Amsterdam niet meer in.

Om de groeiende collectieve uitgaven politiek aanvaardbaar te maken, wordt in progressieve programma’s steeds opnieuw gesteld dat ‘bedrijven en vermogenden’ de rekening betalen. Het is een aantrekkelijk verhaal. Het is ook een verhaal dat haaks staat op elementaire economische mechanismen.

Bedrijven zijn geen eindpunt in de fiscale transmissie; zij zijn een doorgeefluik. Hogere lasten voor bedrijven worden doorberekend via hogere prijzen voor consumenten, lagere loonruimte voor werknemers, verminderde investeringen of – in het uiterste geval – verplaatsing van activiteiten naar het buitenland. ‘Uit economisch onderzoek blijkt consistent dat het doorschuifeffect groot is: hogere lasten voor bedrijven komen via hogere prijzen en lagere lonen uiteindelijk terecht bij consumenten en werknemers.’

Dit weten de hoger opgeleide beleidsmakers, economen en politieke adviseurs die progressieve partijen bevolken doorgaans ook. De kloof tussen wat men weet en wat men communiceert is daarmee een bewuste keuze. Electorale retoriek vereist een eenvoudiger verhaal dan de werkelijkheid toelaat.

Publieke middelen en politieke prioriteiten

Een groeiend deel van de collectieve uitgaven gaat naar klimaatfondsen, Europese verplichtingen, uitvoeringsorganisaties, asielopvang en subsidiesystemen voor verduurzaming. Dat zijn politieke keuzes – maar ze hebben directe consequenties voor de allocatie van publieke middelen.

Middelen die naar klimaatbeleid en uitvoeringsapparaat gaan, worden niet besteed aan koopkrachtverbetering, sociale huurwoningen of lagere energielasten voor huishoudens. Wat progressief beleid verdringt, wordt zelden eerlijk benoemd – of nog directer: Elke euro naar het klimaatfonds is een euro die niet naar sociale huurwoningen of lagere energielasten gaat. Die afruil wordt zelden eerlijk benoemd.

Datzelfde geldt voor de effecten van migratie- en asielbeleid op de publieke infrastructuur. De druk op sociale huur, gemeentelijke voorzieningen, onderwijs en zorg wordt het sterkst gevoeld door lagere inkomens, die afhankelijk zijn van juist die infrastructuur. Hogere inkomens met koopwoningen en private alternatieven ondervinden die druk minder direct.

De nieuwe progressieve klasse en haar structurele belang

Hier tekent zich een ongemakkelijke realiteit af die zelden wordt uitgesproken. De moderne progressieve politiek wordt in toenemende mate vormgegeven door een specifieke sociologische klasse: hoger opgeleiden, beleidsprofessionals, kenniswerkers, consultants en werknemers in de publieke en semipublieke sector. Het zijn groepen die relatief vaak profiteren van beleidscomplexiteit — niet als gevolg van kwade opzet, maar als structureel effect van hun positie in de economie. Meer regelgeving, meer uitvoeringsorganisaties en meer subsidiesystemen scheppen werk voor precies die klasse.

Dit is geen klassiek links verhaal van machtige kapitalisten tegenover het proletariaat. Het is een subtieler verhaal over een nieuwe klasse die oprecht gelooft in haar eigen agenda, maar wier materiële belangen — bewust of onbewust — meebewegen met de uitbreiding van het systeem dat ze beheert.

De politicoloog Mathijs Rooduijn en anderen die het populisme onderzoeken wijzen erop dat de electorale vervreemding van lagere inkomens van centrum-linkse partijen niet primair ideologisch van aard is. Het is economisch en ervaringsgericht: mensen met praktische opleidingen en lagere inkomens ervaren stijgende kosten, meer bureaucratie en minder koopkracht, terwijl zij voortdurend horen dat ‘de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen’. De kloof tussen politieke taal en materiële werkelijkheid is voor hen dagelijks voelbaar.

In Vlaardingen misschien meer dan waar ook. De grote Unilever-fabriek (Blue Band, Becel) sloot in 2018. De haringvloot is al decennia weg. Klassieke arbeidersstad, nu een van de sterkste PVV-bastions van Zuid-Holland.

GL-PvdA herkent het probleem

Het sterkste bewijs voor deze these komt niet van critici, maar van GL-PvdA zelf. In het verkiezingsprogramma 2023 staat, over de verduurzamingssubsidies: ‘Het wringt dat Teslarijders subsidie krijgen, terwijl anderen het moeten doen met radiatorfolie of een tochtstrip.’ (GL-PvdA Verkiezingsprogramma 2023, p. 10) Dit is het Mattheüseffect in eigen woorden van de partij.

En over de klimaattransitie en bestaanszekerheid: ‘Als mensen onzeker zijn over werk, een huis, een veilige en gezonde leefomgeving en onderwijs, hebben ze weinig controle op het eigen leven. In zulke omstandigheden is er weinig draagkracht en is elke verandering er één teveel.’ (GL-PvdA Verkiezingsprogramma 2023, p. 10)

De partij erkent dus zelf: wie geen bestaanszekerheid heeft, heeft geen draagkracht voor transitie. De beleidsmaatregelen die volgen, verhogen echter structureel de kosten voor precies die groep. De interne contradictie staat op papier.

* Henk C. Jonkhoff is ondernemer.

Wynia’s Week brengt broodnodige, onafhankelijke berichtgeving: drie keer per week, 156 keer per jaar, met artikelen en columns, video’s en podcasts. Onze donateurs maken dat mogelijk. Doet u (weer) mee? Hartelijk dank!