Kleuterslogans als ‘iedereen hoort erbij’ en ‘wees inclusief’ zijn funest voor onze beschaving
Artikel beluisteren
Door Hanneke Kouwenberg*
Vertrouwen komt te voet en gaat te paard – ook op maatschappelijk niveau. De westerse ‘high trust society’ is het verdedigen waard. Ze verdient een eerlijker, grondiger en confronterender analyse dan het obligate ‘wees inclusief’ dat tegenwoordig als moreel hoogstaand wordt gepresenteerd. Want wie werkelijk om mensen geeft, moet durven kijken naar de mechanismen die een samenleving in staat stellen om vertrouwen te koesteren, innovatie te voeden en individuen de ruimte te geven om te floreren – zonder dat die mechanismen ideologisch worden ontkend of politiek worden ontmanteld.
Recent ontstond een heftige discussie over de vraag of het moreel acceptabel was dat de onderzoeker Nathan Cofnas aangesteld kon worden aan de universiteit van Gent. Cofnas is een Amerikaans filosoof die, op basis van empirische data, benoemt dat er verschillen in persoonseigenschappen tussen bevolkingsgroepen bestaan, en dat die mede (naast omgevingsfactoren) door genetische verschillen bepaald worden. Hij pleit ervoor dergelijk onderscheid te onderkennen, en te accepteren dat dit dus tot ongelijke uitkomsten zou leiden – een positie die haaks staat op het inclusiebeleid, vaak samengevat onder ‘DEI’.
Historisch is al gebleken dat het constateren van verschillen al discriminatoir en moreel verwerpelijk wordt geacht. The Bell Curve: Intelligence and Class Structure in American Life (1994) van Richard J. Herrnstein en Charles Murray, waarin significante verschillen in gemiddeld IQ tussen diverse bevolkingsgroepen in de VS werden geconstateerd, leidde tot actieve en ook agressieve campagnes om Murray als racist te bestempelen. Het mag geen verbazing wekken dat het anderen in het veld van de gedragsgenetica ervan heeft weerhouden zich publiekelijk te uiten en zo een waardevolle empirische input aan het maatschappelijk debat bij te dragen.
Verschillen hebben consequenties
De controverse rond The Bell Curve doet evenwel niets af aan het gegeven dat er verschillen zijn. Die verschillen zijn herhaaldelijk vastgesteld en hebben consequenties. Ze negeren is geen deugd, het is een vorm van intellectuele luiheid die uiteindelijk de high trust society ondermijnt die we zo graag koesteren.
Om dat te begrijpen moeten we beginnen bij de dieper liggende dynamiek: gene-culture coevolution. Culturen evolueren in wisselwerking met de dominante persoonseigenschappen in een bevolking. Enerzijds beïnvloeden de gemiddelde genetische aanleg en cognitieve profielen welke culturele normen en instituties het best aanslaan. Anderzijds bevoordeelt die cultuur weer bepaalde persoonseigenschappen, waardoor de mensen met deze eigenschappen een grotere kans hebben op nakomelingen. Bij statistische verschillen tussen volkeren is het resultaat culturele divergentie. Cultuur is daarmee niet iets dat mensen vormt, mensen hebben op hun beurt en op basis van hun aanleg de cultuur gevormd. Het is een wisselwerking.
Omgekeerd betekent dit dat mensen zich gemiddeld het best voelen in een cultuur die door hun eigen groep gevormd is en gedragen wordt. De normen rondom eerlijkheid, de abstracte regels omtrent rolgebonden gedrag versus persoonlijke loyaliteit resoneert met de gemiddelde psychologische en cognitieve profielen die in die groep historisch dominant zijn. Een gemiddelde psychologische habitus hoort bij een bepaalde culturele habitat, zoals planten en dieren een bioom hebben. Een cultuur die te ver afstaat van die profielen kan leiden tot vervreemding, frustratie en desintegratie van het sociale weefsel.
Mensen uit een high trust society zullen zich kwetsbaar en paranoia voelen in een tribale gemeenschap, omdat ‘wie goed doet, goed ontmoet’ er gezien wordt als naïviteit die erom vraagt uitgebuit te worden, terwijl de dwingende norm in de high trust society is, uit te gaan van goede intenties. Omgekeerd zal iemand met een laag IQ maar sterke loyaliteit jegens de eigen clan en fysieke kracht zich waarschijnlijk outcast en ondergewaardeerd voelen in een hoogcomplexe samenleving die past bij een gemiddeld hoogintelligente normpsychologie.
Er is dus op individueel, maar ook op maatschappelijk niveau reden de eigen cultuur als ‘superieur’ te zien, en vanuit het gemiddelde psychologische perspectief binnen de bevolking ís dat ook zo. Vanuit het perspectief van de eigen groep ís die cultuur superieur, net zoals dat voor elke andere cultuur geldt binnen haar eigen habitat. Het is geen claim van universele superioriteit, maar van functionele pasvorm.
Geen universele waarheid
Dat onze samenleving, cultureel gevormd, uitzonderlijk veel waarde hecht aan abstracte cognitieve vaardigheden en IQ, is dan ook geen universele waarheid, maar een kenmerk van de high-trust, hoogcomplexe samenleving die we hebben opgebouwd. Precies daarom is het relevant om te erkennen dat gemiddelde verschillen in die persoonseigenschappen consequenties hebben voor hoe goed mensen zich voelen en functioneren binnen diezelfde samenleving. Het gaat niet om een moreel oordeel over ‘beter’ of ‘minder waard’, maar om compatibiliteit met de normen die hier historisch dominant zijn geworden.
Wezenlijk blijft hierbij te benoemen dat waar cultuur ontstaat op basis van sociale consensus, er nog altijd een grote interindividuele variatie bestaat. De waarborg van culturele continuïteit is dan ook geen etnische, maar een normpsychologische kwestie.
Het is zowel voor de cultuur als voor het individu van belang dat er een goede match bestaat, vooral voor de high trust society, die inherent kwetsbaar is op dit vlak.
De high trust society is de culturele uitzondering in de wereld, niet de norm. Een in 2019 gepubliceerd onderzoek met de titel Civic Honesty around the globe toont aan dat het percentage teruggebrachte portemonnees fors varieerde en steevast hoger lag in high trust societies, in landen die in bevolkingsaantallen een uitgesproken minderheid vormen. Wereldwijd is low trust de norm.
Een high trust society ontstaat dus als uitzondering. Een cruciale rol speelde het historische verbod op neef-nicht-huwelijken in het Westen. De katholieke kerk heeft in de vroege middeleeuwen dit tribale patroon systematisch doorbroken. Daarmee werd de op verwantschap gebaseerde maatschappij ontmanteld. Mensen leerden elkaar te waarderen om vaardigheden en betrouwbaarheid in abstracte rollen, niet om bloedbanden. Dat was een enorme impuls voor innovatie en leidde, onder invloed van het christendom, tot een schuldcultuur in plaats van een schaamtecultuur.
Maar een schuldcultuur is kwetsbaar. Hij laat zich makkelijk misbruiken door mensen die in hun gedrag genormeerd worden door schaamte. Vertrouwen komt te voet en gaat te paard. Eenmaal gebroken is het moeilijk te herstellen. Op individueel niveau leidt chronisch wantrouwen tot hypervigilantie, angst, depressie en een afname van prosociaal gedrag. Mensen trekken zich terug in kleinere cirkels of zoeken veiligheid in autoritaire structuren.
Meetbare gevolgen
Wie ooit in een low-trust omgeving heeft gewoond, herkent het: de constante alertheid, de kleine corrupties, de onuitgesproken regel dat je niemand echt kunt vertrouwen buiten je directe kring. Op systeemniveau is het herkenbaar in de groeiende bureaucratie die burgers als potentiële fraudeurs behandelt – denk aan de toeslagenaffaire of de almaar toenemende controles op uitkeringen – in de erosie van vertrouwen in justitie wanneer straffen niet meer aansluiten bij de ernst van delicten, of in de manier waarop media en politiek feiten selectief presenteren om narratieven te beschermen.
De gevolgen van ‘low trust’ zijn meetbaar: lagere economische groei, minder innovatie, hogere kosten voor beveiliging en toezicht, en een verarming van intermenselijke relaties.
Er bestaat bovendien een duidelijke correlatie tussen geweld en andere vormen van conflict enerzijds, en low trust, lagere gemiddelde intelligentie en hoge tribaliteit anderzijds. Dat is geen moreel oordeel, maar een empirisch patroon.
Tribaal of in schaamte denkende mensen leggen die neiging niet zomaar af bij het betreden van een maatschappij met heel andere interpersoonlijke normen. Als die mensen hun normen meebrengen, niet assimileren en talrijker worden, dan heeft dat consequenties voor de ruimte van wederzijds vertrouwen bij de groep die de cultuur oorspronkelijk gevormd heeft. De high trust society kan niet eindeloos absorberen zonder zelf te veranderen.
Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat pluriformiteit in ideeën, vaardigheden en inzichten tot betere uitkomsten in een team kunnen leiden. Een wezenlijke mits daarbij is wel dat mensen elkaar verstaan, zowel in de formele taal als in de interpersoonlijke communicatie. Een high trust cultuur is daarbij een cruciale randvoorwaarde. Gevolg is dat pluriformiteit in culturele en etnische achtergronden alleen als waardevol kan uitpakken als mensen met een niet-high trust achtergrond assimileren en de taal goed spreken. Zonder dat is culturele en etnische pluriformiteit juist een ondermijnende factor.
Deze wetenschappelijke feiten worden in beleidsstukken van de rijksoverheid veelal genegeerd en staan haaks op wat progressieven onder ‘de verrijking van diversiteit’ verstaan. ‘Diversiteit’ betekent in het jargon vooral pluriforme culturele en etnische achtergronden. Culturele (en etnische) ‘diversiteit’ is daarmee niet zonder meer een verrijking. Het wordt het pas als mensen zich aanpassen aan de dominante culturele norm.
Directe bedreiging
Hoogopgeleide immigranten met een goede taalbeheersing hebben goede kansen succesvol te integreren – landen als Canada en Australië hebben met selectief immigratiebeleid positieve ervaringen opgedaan. Maar voor mensen met een lage intelligentie, een laag opleidingsniveau en een sterke culturele identificatie met de herkomstcultuur zal assimilatie moeilijk, en in sommige gevallen onhaalbaar blijken. Juist deze mensen zijn onder asielzoekenden sterk oververtegenwoordigd. Dat is geen moreel oordeel, maar een empirische realiteit.
De constatering sluit immigratie op humanitaire gronden niet uit. De behoefte aan opvang is echter vele malen groter dan de draagkracht. Het is aan de ontvangende gemeenschappen om grenzen te stellen, temeer omdat solidariteit zonder grenzen een snelle dood zal sterven. Wie de sociale contracten hoogacht, pleit voor beperking van de immigratie van mensen met weinig kansen en een lage waarschijnlijkheid van succesvolle assimilatie.
Verder mag duidelijk zijn dat het vormen van enclaves van de herkomstcultuur assimilatie verder ondermijnt, zeker wanneer binnen die enclaves tribale normen dominant zijn. De bevinding dat in Duitsland een meerderheid van de jonge moslims vindt dat Sharia boven de Duitse grondwet gaat (percentages variëren van 45 tot 67 procent) maakt duidelijk dat het hier om een directe bedreiging voor de rechtstaat en de democratie gaat.
Zoals één zwaluw geen zomer maakt, zo maakt één slecht geïntegreerde, laat staan geassimileerde immigrant geen culturele desintegratie. Het ‘één zwaluw-stadium’ is echter inmiddels evident gepasseerd. Islamitisch geïnspireerd geweld, oververtegenwoordiging in seksuele delicten, straatintimidatie en agressie leiden tot neerwaartse spiralen van wantrouwen. De high trust society die we in Nederland en West-Europa hebben opgebouwd – met haar openheid, meritocratie, relativerende humor en vermogen om abstracte regels boven persoonlijke loyaliteit te stellen – staat onder druk.
Het veelal progressief gekleurde medialandschap draagt daar ook aan bij. Kritische geluiden op migratie gelden steevast als ‘radicaal rechts’ of ‘extreem rechts’. Politici die zich kritisch uiten worden met ad hominems of guilt by association verdacht gemaakt. Burgers die bezwaar hebben tegen beleid dat de facto hen, hun kinderen of gemeenschap benadeelt ten gunste van immigranten worden voor voldongen feiten geplaatst, of als simpelweg medegedeeld dat hun kritiek op de instanties die dergelijk beleid rechtvaardigen getuigt van een ‘anti-rechtstatelijke’ want ‘anti-institutionele’ grondhouding.
Daarbovenop komen gebroken verkiezingsbeloften, uit onmacht, onkunde of machiavellistische machtsspelletjes. Dit ondermijnt het nog weer het vertrouwen in de democratie als zodanig. Groepen burgers voelen zich onheus bejegend, in hun integriteit aangevallen en bestuurd door een laag die zich heeft losgezongen van de realiteit op straat. De constatering dat het vertrouwen in de politiek historisch laag is, word jaar na jaar gedaan, het wantrouwen van de overheid jegens haar ingezetenen blijkt uit het voorstel burgers op sociale media te gaan volgen – ook als er geen verdenking van overtredingen is.
Beschermwaardige habitat
Mogelijk denkt de progressieve bubbel dat met deze polarisatie mensen tot ‘goed gedrag’ en ‘juist gedachtengoed’ te verleiden zijn. Nog afgezien van de vraag of het überhaupt de taak van de overheid is haar burgers ideologisch te beïnvloeden: ontkennen dat mensen met een heel andere culturele achtergrond op normpsychologische gronden mogelijk onmachtig zijn tot assimilatie, leidt tot beleid dat een experiment uitvoert met de cultuur en de bevolking op een wijze die haar gelijke in de geschiedenis niet kent.
En er zijn mensen die zich daarvan bewust zijn. De inheemse bevolking heeft immers geen cultureel alternatief voor de eigen samenleving. Dit is haar habitat, gevormd door generaties van voorouders. Die habitat is daarom beschermwaardig. Niet uit haat jegens anderen, maar uit liefde voor wat is opgebouwd en uit verantwoordelijkheid voor degenen die na ons komen.
Recht op continuïteit
En juist daarom verdient het idee van Andrea Speyerbach brede adhesie. Haar pleidooi om via de rechter de Nederlandse staat te dwingen de Nederlandse cultuur te beschermen tegen de erosie door ongecontroleerde massa-immigratie, is geen extremisme. Het is een rationele, juridische en morele erkenning van het feit dat een cultuur en een volk recht heeft op continuïteit in zijn eigen land.
Wie werkelijk om mensen geeft, wie werkelijk een samenleving wil waarin kinderen veilig kunnen opgroeien, waarin ouderen niet hoeven te vrezen, waarin innovatie en welvaart kunnen blijven bloeien, die moet durven kijken naar de harde, soms ongemakkelijke realiteit van groepsverschillen, van culturele compatibiliteit en van de kwetsbaarheid van vertrouwen. ‘Iedereen hoort erbij’ is een mooie slogan voor de kleuterklas. Voor volwassenen die verantwoordelijkheid dragen voor de toekomst is een eerlijker, grondiger en confronterender analyse nodig. De high trust society is het verdedigen waard. Laten we dat doen met open ogen, met intellectuele moed en met de erkenning dat niet alles maakbaar is, maar wel behoudbaar.
* Hanneke Kouwenberg is radioloog en nucleair geneeskundige.
Wynia’s Week brengt broodnodige, onafhankelijke berichtgeving: drie keer per week, 156 keer per jaar, met artikelen en columns, video’s en podcasts. Onze donateurs maken dat mogelijk. Doet u (weer) mee? Hartelijk dank!


