Wat Nederland kan leren van een boek uit 1776
Artikel beluisteren
Door Daniel B. Klein*
Aanstaande maandag is het 250 jaar geleden dat An Enquiry into the Nature and the Causes of The Wealth of Nations van Adam Smith verscheen. Het meest invloedrijke werk over politieke economie dat ooit is geschreven. Wat is daarvoor de reden?
Daarvoor moeten we eerst terug in de tijd. Adam Smith was reeds op jonge leeftijd hoogleraar geworden aan de Universiteit van Glasgow. Zijn reputatie steeg sterk na 1759, toen hij op 36-jarige leeftijd zijn andere meesterwerk publiceerde: The Theory of Moral Sentiments. Dit was een boek over de deugden. Het ging over onze plicht om ons moreel juist te gedragen. Smiths aanzien was gebaseerd op zijn positie als aanbieder van morele richtlijnen.
Morele autoriteit
The Wealth of Nations verscheen op 9 maart 1776 en was een onmiddellijk succes. Niet alleen om de interessante argumenten over handel en financiën. Het waren ook de richtlijnen van Smith vanuit zijn positie als morele autoriteit. De leerstellingen in het boek waren invloedrijk omdat ze van hem kwamen. Velen namen ze ter harte.
En wat was het resultaat? Ik stel dat de dramatische groei van de economie van de westerse wereld hiervan het gevolg was.
Kort na het verschijnen van The Wealth of Nations schoten de economische groei en de levensstandaard in de westerse wereld dramatisch omhoog. In langjarige grafieken over de welvaart per hoofd (bbp) zien we een lange periode van stagnatie, gevolgd door een opvallende versnelling rond de tijd van Smiths dood, alsof zijn werk de verandering veroorzaakte.
Econoom Deirdre McCloskey noemt dit moment The Great Enrichment (de Grote Verrijking). De vorm van de curve wordt wel de ‘hockeystick’ genoemd, waarbij het blad van de stick de spectaculaire groei van de afgelopen 250 jaar vertegenwoordigt.
Een eerlijk inkomen
Wat leerde Smith precies? Waaraan gaf Smith zijn morele goedkeuring?
Vanuit ons hedendaagse perspectief kan het moeilijk zijn om de vernieuwing van Smith’s leer te waarderen, omdat we vertrouwd zijn geraakt met zijn belangrijkste morele lessen over economische activiteit. De belangrijkste gaat over afgunst en wantrouwen. De menselijke samenleving staat instinctief wantrouwig tegenover het individu dat zich primair richt op zijn eigen belang en eigen inkomen. Bovendien wordt inkomen soms verkregen op manieren die niet ten goede komen aan de samenleving. We moeten dus leren onderscheid te maken tussen verschillende manieren om inkomen te verwerven.
Het belangrijkste inzicht van Smith was dat wanneer iemand op eerlijke wijze inkomen nastreeft, zijn activiteit zeer waarschijnlijk bijdraagt aan het welzijn van de samenleving en dat dit ook moreel moet worden goedgekeurd. Wanneer je vroeg opstaat en hard werkt om een eerlijk inkomen te verdienen, dan keurt God dat goed. Dat idee zien we ook terug in preken van geestelijken en bij andere schrijvers, maar The Wealth of Nations werkte dit idee op een opmerkelijk indrukwekkende en gezaghebbende manier uit.
De onzichtbare hand
De morele goedkeuring van het nastreven van eerlijk inkomen gaf het economische leven nieuwe kracht en het stimuleerde innovatie. Mensen voelden zich gesterkt om af te wijken van traditionele beroepspatronen en te innoveren op welke manier dan ook, zolang het eerlijk was. Dat was essentieel voor de Grote Verrijking.
De tweede grote morele goedkeuring was gericht op beleidsmakers. Smith riep op ‘iedereen toe te staan zijn eigen belang op zijn eigen manier na te streven’. Dat betekent dat mensen niet in hun eigendomsrechten moesten worden beperkt, noch in de vrijheid van vereniging of contract. Smiths morele goedkeuringen houden verband met de uitdrukking ‘de onzichtbare hand’.
Win-win
In The Wealth of Nations zegt Smith dat iemand die zich op de markt richt op zijn eigen particuliere belangen, door een onzichtbare hand wordt geleid om het maatschappelijke welzijn te bevorderen, ook al was dat nooit zijn bedoeling. Smith schrijft over een individu dat beslist waar hij zal investeren: ‘Hij bedoelt doorgaans … noch het algemeen belang te bevorderen, noch weet hij in welke mate hij dat doet.’
Het verdiende geld van een verkoper komt van klanten die vrijwillig betaalden omdat zij het verkochte product — bijvoorbeeld stofzuigers — meer waardeerden dan het geld dat zij betaalden. De uitwisseling was win-win: wederzijdse voordelen uit handel. Bovendien maken alle economische actoren zelf ook deel uit van de samenleving. Wanneer je het welzijn van jouw eigen deel bevordert, bevorder je het welzijn van het geheel. Door een stofzuigerfabriek te openen vergroot je de vraag naar arbeid en verhoog je de lonen op de arbeidsmarkt.
Iedereen zorgt beter voor zichzelf dan voor een ander
En dat moeten mensen zelf doen, dat kan de staat of een ander niet voor hen beslissen. In The Theory of Moral Sentiments schreef Smith: ‘Elke mens is zonder twijfel van nature in de eerste plaats en vooral aan zijn eigen zorg toevertrouwd; en aangezien hij beter in staat is voor zichzelf te zorgen dan voor enig ander persoon, is het passend en juist dat dit zo is.’
Deze inzichten, met een morele lading, worden nog steeds met handen en voeten getreden, niet in de laatste plaats in Nederland. Het wordt daarom hoog tijd om de lessen van 250 jaar beter toe te passen.
*Daniel Klein is hoogleraar economie en houder van de JIN Leerstoel aan het Mercatus Center van de George Mason University, waar hij leiding geeft aan een lesprogramma over Adam Smith. Hij is de auteur van The Spirit of Smithian Laws, Central Notions of Smithian Liberalism, Smithian Morals en Smithian Essays.
Vertaling: Edwin van de Haar
Wynia’s Week verschijnt 156 keer per jaar en wordt volledig mogelijk gemaakt door de donateurs. Doet u mee? Doneren kan zo. Hartelijk dank!






















